Participatie concept-Masterplan Park21 van start

donderdag, 09 december 2010 23:01

1_A

Het college van B&W van gemeente Haarlemmermeer heeft 30 november 2010 besloten de conceptversie van het Masterplan Park21 vrij te geven voor participatie.

   

Regionale parken en de belevenismaatschappij

donderdag, 21 januari 2010 15:07

De oude Rijksbufferzones hebben hun langste tijd wel gehad. De veranderende maatschappelijke en ruimtelijke context schreeuwt om nieuwe concepten. VROM studeert op regionale parken of metropolitane landschappen. Maar wat zijn dit eigenlijk? Op verzoek van VROM schreven Pieter Veen en Edwin van Uum in 2002 onderstaand essay. Het is een bewerking van een eerder artikel van Zef Hemel en Edwin van Uum, getiteld 'Open ruimte wordt openbare ruimte'.

Er wordt gezegd dat we in een belevenismaatschappij leven. We kicken op piekervaringen en hechten aan quality time. We zijn -ieder op onze eigen manier- op zoek naar nieuwe prikkels en sensaties. De oude verbanden en de bekende plaatsen zouden hun zeggingskracht hebben verloren. Van over de hele wereld komen beelden tot ons en die bepalen mede hoe wij naar onze omgeving kijken. Het valt niet te ontkennen dat de overgang van de overzichtelijke na-oorlogse verzorgingsstaat naar de huidige pluriforme informatiemaatschappij grote gevolgen heeft voor de manier waarop wij de ruimte beleven (of interpreteren) en willen beleven. Dit stelt een opgave aan het ruimtelijk beleid. Om deze opgave te begrijpen moeten we verder kijken dan de talloze verschijningsvormen van de belevenismaatschappij. In wezen gaat het hier, in de specifieke context van de ruimtelijke planning, om de verbreding of opschaling van het begrip 'stedelijke openbare ruimte'. Waar het publieke stedelijke leven aanvankelijk beperkt bleef tot de pleinen, straten en parken van de begrensde stad, is de situatie nu geheel anders. De steden zijn groter en diffuser geworden en het 'consumptieve' gebruik van de ruimte door stedelingen reikt tot ver buiten de fysiek verstedelijkte gebieden. De groene ruimte is niet langer het exclusieve domein van landbouw en natuur, maar krijgt in toenemende mate het karakter van openbaar stedelijk gebied. Achterliggende processen zijn de schaalvergroting in de verstedelijking en de ontwikkeling van omvattende stedelijke netwerken enerzijds en veranderingen in de vrijetijdsbesteding van stedelingen, flexibilisering van de arbeid en de toenemende mobiltiteit anderzijds.

Het landschap wordt onderworpen aan de toeristische blik. Men is op zoek naar indrukken die afwijken van het alledaagse, naar een bijzonder spektakel of een lieflijke idylle. Het landschap is meer dan leegte of open ruimte, maar een netwerk van betekenisvolle plekken: voor avontuur en vermaak, maar ook voor herkenning en bezinning. In dat landschap is geen ruimte voor bio-industrie, snelwegen en ontoegankelijke natuurgebieden, wel voor dorps wonen, natuurbeleving, toeristische attracties, cultuurgenot en watersport in al zijn vormen. Voorwaarde is een goede ontsluiting voor wandelen, fietsen en varen.

Het behoeft nauwelijks betoog dat de huidige inrichting van de groene ruimte nog lang niet voldoet aan de eisen die daar door de belevenismaatschappij aan worden gesteld. Juist rond de grote steden is eerder sprake van verrommeling en anonimisering van de ruimte, dan van betekenisvolle, publieke plekken. Het Groene Hart bestaat grotendeels uit monofunctionele landbouwgebieden. Hier ligt nog een belangrijke inrichtingsopgave. Natuurlijk, in het verleden is het nodige geïnvesteerd in het open houden van bufferzones en in de aanleg van Groene Sterren, Randstadgroenstructuurbossen en andere voorzieningen voor openluchtrecreatie, maar deze kunnen niet voldoen aan de huidige vraag. Ook de lopende Strategische Groenprojecten lijken onvoldoende in staat een adequaat antwoord te bieden op de nieuwe behoeften, zowel door ontoereikende financiële middelen als door een te beperkt functioneel programma. Met de Regionale Parken wordt gepoogd nieuwe strategieën te ontwikkelen voor het vergroten van de recreatieve waarde van het buitengebied in de grote stedelijke netwerken. Die strategieën zouden beter moeten inspelen op de sociaal-maatschappelijke dynamiek en meer ruimte moeten bieden aan particuliere initiatieven. Duidelijk is dat recreatie tegenwoordig overal en op allerlei momenten kan plaatsvinden en verbonden is met een breed scala aan divergerende activiteiten en leefstijlen. 'De recreant' bestaat niet en het ideale recreatiegebied dus ook niet. Recreatiebeleid wordt in toenemende mate een integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening.

Interessanter dan de vraag hoe de Regionale Parken eruit moeten komen te zien, is de vraag aan welke maatschappelijke behoeften ze moeten voldoen en welke ontwikkelingsstrategieën daartoe ingezet kunnen worden. Op voorhand dienen zich al enkele lastige dilemma's aan. Enerzijds zal het beleid moeten inspelen op de behoefte aan authentieke ervaringen. Het gaat dan om het veiligstellen en intensiveren van rust, openheid en schoonheid in idyllische landschappen, waarin natuurbeleving wordt gecombineerd met ervaring van het cultuurhistorisch erfgoed. Nieuwe infrastructurele doorsnijdingen, bedrijventerreinen, bungalowparken en andere vormen van stedelijke bebouwing zullen actief geweerd moeten worden. Er zal fors geïnvesteerd moeten worden in versterking van groene kwaliteiten en verbetering van de toegankelijkheid. De traditionele strategie van aankopen, inrichten en beheren zal daarbij zeker niet volledig overboord gezet kunnen worden, maar er zullen ook nieuwe financieringsstructuren voor 'groene diensten' ontwikkeld moeten worden. Anderzijds vraagt de stedelijke cultuur van avontuur en vermaak om nieuwe, uitdagende landschappen met bijzondere attracties en onbeperkte gebruiksmogelijkheden: van survivalcenter tot beautyfarm. Hiervoor zal voldoende ruimte geboden moeten worden. Voor een deel kunnen particuliere initiatieven hierin voorzien, maar deze zullen steeds gekoppeld moeten worden aan heldere kwaliteitseisen, afgestemd op het gewenste imago en openbare karakter van het Regionale Park. Het gaat om het vinden van het juiste evenwicht ligt tussen het vrij laten van potentiële investeerders en het stellen van de planologische randvoorwaarden, geen geringe uitdaging voor het ruimtelijk beleid.

Met de constatering dat recreatie een steeds breder en minder eenduidig begrip is geworden, wordt ook de afbakening van de Regionale Parken een probleem. De recreatienormen voor de benodigde oppervlakte stadsgroen per inwoner zijn achterhaald en bieden weinig houvast. De Regionale Parken zullen een herkenbare eigen identiteit moeten hebben, willen ze als ruimtelijke eenheden standhouden. Die identiteit kan ontleend zijn aan het functionele programma of aan de landschappelijke samenhang. Bij voorkeur zijn beide aspecten op elkaar afgestemd en versterken ze elkaar. De oude Rijksbufferzones zijn echter begrensd als 'contramal' van de stad en ontberen vaak een functionele of landschappelijke samenhang. Hier zal de identiteit als park nog geconstrueerd moeten worden. Een logische begrenzing en een consistente inrichting zijn daarbij essentieel. Op grotere schaal zullen de Regionale Parken zich moeten onderscheiden van de Provinciale en Nationale Landschappen en van de stadsgewestelijke groenstructuren. Ten opzichte van de landschappen zal het recreatieve inrichtingsniveau en de gebruiksintensiteit hoger liggen, maar ten opzichte van de stadsgewestelijke groenstructuren zullen juist de landschappelijke schaal, de ecologische diversiteit en de cultuurhistorische identiteit bepalender zijn. Of er altijd een zinvolle niche voor een Regionaal Park te vinden is, zal moeten blijken uit gericht ontwerponderzoek.

Een belangrijke inrichtingsfactor voor de Regionale Parken is het ontsluitingsniveau. Mobiliteit en infrastructuur zijn immers van grote invloed op het gebruik van de openbare ruimte. Het zijn ook bij uitstek middelen waar de overheid mee kan sturen. Infrastructurele knooppunten waar verschillende verkeersstromen samenkomen in of aan de rand van Regionale Parken lenen zich bij uitstek voor de ontwikkeling van 'recreatietransferia': toegangspoorten tot het park, waar allerlei voorzieningen, zoals parkeergelegenheid, horeca, informatievoorziening, bootverhuur etc. gebundeld kunnen worden aangeboden. In andere delen kan de toegang juist worden gereduceerd, bijvoorbeeld door omvorming van asfaltwegen in zandpaden of door het verminderen van het aantal afslagen. Deze benadering van selectieve bereikbaarheid maakt een einde aan de gedachte dat iedere plek overal in Nederland in dezelfde mate of op dezelfde manier bereikbaar moet zijn.

Dat er een maatschappelijke behoefte is aan bijzondere belevenissen en nieuwe gebruiksmogelijkheden in het landelijk gebied leidt geen twijfel. Dat er een markt is voor extra investeringen in de vrijetijdseconomie evenmin. Het voldoen aan deze behoefte en het ruimte bieden aan deze markt leidt echter niet automatisch tot aantrekkelijke en hoogwaardige recreatielandschappen. Het is de opgave voor de Regionale Parken de juiste condities te formuleren voor de ontwikkeling van dergelijke landschappen.

regiopark-2
Visualisatie Park21
   

Mijnwater als geothermische energiebron

vrijdag, 08 januari 2010 10:53

Geothermal-use-of-minewater3
Koelbasin en geothermische fabriek Grube Reden

De voormalige kolenmijn 'Grube Reden' wordt getransformeerd in een park voor 'Industriekultur'. Er komen culturele voorzieningen en kantoren in een groene setting met ecologische tuinen. Historische gebouwen krijgen een nieuwe functie, daartussen verrijzen nieuwe moderne gebouwen. Industriekultur Saar GmbH (IKS) heeft Vista landschapsarchitectuur en stedenbouw de opdracht gegeven om een Masterplan te ontwikkelen.

Geothermie wordt ingezet voor energiewinning en is op een bijzondere manier geïntegreerd in het ontwerp. De aan te leggen watertuin op de voormalige spoorwerf heeft hierin een centrale rol. De watertuin vormt een afdekkende 'leeflaag' op de vervuilde ondergrond. Al het regenwater van het 125 ha grote gebied wordt verzameld in bassins. Door verschillen in waterdiepte en substraat ontstaat een mozaïek van natte biotopen. Een deel van de watertuin zal gevoed worden door mijnwater. Dit zoute water wordt opgepompt vanaf een diepte van 800 meter en heeft een temperatuur van 30°C. Vroeger werd het water direct geloosd op een nabijgelegen kreek. Nu wordt het mijnwater gebruikt als een geothermische energiebron voor de verwarming van de aanwezige gebouwen.

In het midden van de watertuin wordt een geothermische installatie aangelegd, achter een 9 meter hoge schanskorvenmuur. De installatie kan in de toekomst eventueel omschakelen naar biomassa, als besloten wordt om te stoppen met pompen. Het geothermiewater wordt na gebruik eerst in de watertuin afgekoeld, voordat het wordt afgevoerd naar de kreek. Hiertoe is een nauwe canyon aangelegd tussen twee hoge waterreservoirs. Over de rand van de reservoirs heen stort het water de canyon in, met een gemiddeld debiet van  900 liter per seconde. Dit is het begin van het koelproces. Het water stroomt vervolgens vanuit de canyon door het noordelijke deel van de watertuin. Een reeks van watervallen koelt het water verder af. De mist die door het vallende water ontstaat, creëert een geheimzinnige sfeer. Voor de bezoekers is dit een unieke ervaring .

De watertuin met de geothermische canyon is het visitekaartje van het project en is een van de belangrijkste attracties in Reden. Vanuit de trein gezien vormt de watertuin een indrukwekkend voorportaal van het hele gebied.

   

Help, onze bossen verdrinken!

woensdag, 02 december 2009 10:45

In het Boomblad van februari 2002 plaats Alterra de volgende aanhef boven een alarmerend artikel: 'Help, onze bossen verdrinken!' Over verdrogingsbestrijding met ongewenste gevolgen.
Om de verdroging in ons land tegen te gaan, worden steeds vaker vernattingsprojecten uitgevoerd. Doel hiervan is een verhoging van de natuurwaarden. Maar de effecten hiervan op bossen zijn niet altijd zoals gewenst. Bij verhoging van de grondwaterstand treedt verstoring op in de wortelzone, die tot wortelsterfte kan leiden. Alterra onderzocht waar en wanneer dit verschijnsel zich voordoet en hoe we er rekening mee kunnen houden.

In opdracht van de gemeente Almere heeft Vista de 'Toekomstvisie Pampushout Almere' opgesteld. We zijn bij het nadenken over de toekomst van Pampushout tegen meerdere dilemma's opgelopen. Aanvankelijk waren we van plan ons te richten op de herontwikkeling en omvorming van het bos: hoe maak je van een polderbos een stadspark? De opgave zou zich dan concentreren op de omvorming en vernieuwing van het bos, het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit, voorzieningen voor de toekomstige omwonenden en integratie tussen het wonen en groen. In onze analyse zijn we tot de conclusie gekomen dat de opgave van veel fundamentelere aard is.

Dilemma's van het Pampushout:

1. We willen een duurzaam bos. Maar de chloridengehalten in het grondwater zijn daarvoor veel te hoog.

2. Het is duurzamer om het waterpeil in het Pampushout te verhogen, dat betekent minder malen en minder slechte en zoute kwel, maar dan verdrinkt het bos.

3. We kunnen de populierenbossen verder omvormen in eiken- en beukenbos, zoals hier en daar al is gedaan. Maar dat is nog steeds niet duurzaam.

4. Almere wil wonen en recreëren aan het water. Maar Pampushout is ontworpen als een polderbos voor een polderstad.

5. Juist de afwisseling van bos en open ruimte bepaalt nu de kwaliteit van het landschap. Maar die open ruimte gaat verdwijnen door de stedelijke ontwikkeling.

We zien verschillende mogelijkheden voor het Pampushout. Wij als ontwerpers hebben dilemma's gesignaleerd die aanzetten tot nadenken en bezinning. Is de opgave beperkt tot de omvorming van het huidige Pampushout? Of is dit vraagstuk breder? Wij denken het laatste. Om deze reden hebben we gekozen om ons niet alleen te verdiepen in de omvorming van Pampushout. We willen in onze bijdrage aan de discussie over de toekomst van het gebied scenario's presenteren om te laten zien in welke richting keuzes kunnen worden gemaakt. Lees hier meer over het project 'Toekomstvisie Pampushout Almere'.

Pampushout